jrvanderkolk Actieknop

Speurtocht naar plateel- en kunstschilder Sije Beulakker

Voorwoord

Toen ik in 2012 bezig was met het schrijven van mijn boek ‘100 jaar onderwijs in de Smithoek’, stuitte ik op een groot wandbord (ø 40 cm) dat in 1962 door het personeel werd geschonken aan de 50-jarige Hervormde School in Den Ham. Nieuwsgierig werd ik naar de makers van dit bord. Aan de voorkant ondertekend door S. Beulakker en aan de achterkant gebr. Hamer Vroomshoop. Mijn zoektocht kon beginnen. Ik kwam terecht bij Theo en Henk Beulakker en Henk Hamer. Verder speurde ik onder meer in de archieven van de Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag.

Kunstaardewerkfabriek gebr. Hamer

In de jaren ’40 van de vorige eeuw had Johannes Hamer en zijn broer Hendrik Jan Hamer een kruidenierswinkel met wat aardewerk in Harlingen. Samen begonnen ze in de binnenstad van Harlingen een aardewerkfabriekje in een onbewoonbaar verklaarbare woning. In de loop der tijd scharrelde hij er de huisjes ernaast steeds wat bij. Voor diverse uitspanningen in het land werden souvenirtjes, zoals molentjes, gegoten. Dat liep allemaal erg goed. Uiteindelijk wilden beide Hamers een fabriek buiten Friesland en wat meer naar het centrum van het land opzetten. In heel Overijssel waren weinig aardewerkfabrieken. Zij kregen bij toeval van de gemeente Den Ham de mogelijkheid om te bouwen. Voor vestiging van nieuwe bedrijven in Vroomshoop stelde deze gemeente subsidie beschikbaar.
In het najaar van 1956 was de fabriek aan de Havenstraat 4 klaar.

Johannes Hamer bracht de eerste tijd de nachten door in de fabriek. Johannes Hamer én een neef van hem verhuisden met hun gezinnen in november 1956 naar Vroomshoop. Zij richtten samen Aardewerkfabriek gebr. Hamer op. Vanuit Gouda werd Beulakker aangenomen om te werken in de fabriek. Hij ‘logeerde’ de eerste tijd in de fabriek en reisde in het weekend naar Gouda. De families Hamer en Beulakker gingen enige tijd daarna wonen in nieuwe woningen aan de Flierakkers en verhuisden later naar het Plantsoen in Vroomshoop.

Hendrik Jan Hamer was in 1956 al 65 jaar en bleef daarom in Sneek wonen. Een dag of drie in de week werkte hij in de fabriek, want hij was de enige die goed was in het op schijf draaien. Overige werd in gips gegoten.
Drie van de vijf kinderen van Hamer en de drie zonen van Beulakker gingen ook in de fabriek werken. Het was hard werken. ’s Nachts moest er iemand bij de ovens blijven. Telkens moest dan door een kijkgaatje gekeken worden naar een kegeltje. Viel dit kegeltje om, dan was het goed en kon de oven uit. Soms was er pech. Dan was het niet goed gebakken, ontstonden er bobbeltjes, was het aardewerk aan elkaar gebakken, was de kleur niet goed of zaten er scheuren in. Het werd tweede keus. Dat gebeurde nogal eens. Ter Steege uit Enter (nu: Rijssen) kocht dan alles op.

In de hoogtijdagen werkten er wel 25 mensen. Voor het schilderen van de borden, asbakken enz. zat men aan tafels.

Eerst werd een ponsief op het bord gemaakt. Dat is een tekening op papier met allemaal gaatjes van een prikpen. Als je de lijntjes van die gaatjes volgt heb je weer de tekening. Het ponsief wordt op de tegel gelegd en vervolgens wordt houtskool over het ponsief getamponeerd. Houtskool komt dan door de gaatjes op de tegel. De tekening staat nu in puntjes op de tegel. Hierna wordt de 'koolstof-tekening' nog eens overgetrokken met potlood. Pas dan wordt de schaal met de hand beschilderd met majolica, een zogenaamde onderglazuur. Vervolgens wordt het beschilderde aardewerk op lage temperatuur voorgebakken, zodat de lijm uit het onderglazuur wegbrandt. Hierna wordt het uit de oven gehaald en geglazuurd d.m.v. dompelen of spuiten. De schaal gaat wederom de oven in en wordt afgebakken op een temperatuur van 1070 graden. Het glazuur smelt uit tot een mooie, glanzende, transparante laag en de majolica wordt helder van kleur.

De één schilderde de wolken, de andere de boerderij o.i.d. Het was echt lopende band. De productie bestond vaak uit b.v. 30 tot 40 dezelfde borden.

Eén van de werknemers was Jan Koning. Hij was draaier. Hij trouwde met één van de dochters van Hamer. In zijn vrije tijd was hij een gevierd solotrompettist bij Harmonie Vroomshoop. Jan Koning overleed op 34-jarige leeftijd.

Een andere werknemer was dhr. Mijntema. Hij was ook vanuit Harlingen/Dronrijp meegekomen. Later begon hij zijn eigen aardewerkfabriek in Aadorp.

Hamer blonk niet uit in zakendoen en een vertegenwoordiger regelde de zaken niet verantwoord. Eerst was er een elektrische oven waarin anderhalve kuub aardewerk gebakken kon worden. Daarna werd er van een Limburgs bedrijf een gasoven gekocht waarin karretjes met drie kuub aardewerk op een rail naar binnen reden. Er waren heel veel gasflessen nodig om de gewenste 1200 graden te behalen. Er moest behoorlijk veel gestookt worden. Dit bleek achteraf geen goede greep. Het was ontzettend duur. Bovendien knapte de oven uit elkaar. Het dak ging eraf. Het was niet langer meer financieel te behappen. Fa. Aalten en Zoon uit Zeist nam in 1964 het bedrijf over en bleef tot 1983. Johannes Hamer ging op oudere leeftijd weer terug naar Harlingen.

Het leven van Sije Teake Paulus Beulakker

1909 Sije Teake Paulus Beulakker werd op 11 april 1909 geboren in Groningen.
Zijn derde voornaam deed hem eer aan, want hij was net als de Bijbelse Paulus een reiziger. Hij zou de hele wereld over reizen.
Zijn vader was biezentrekker en zette letters op ruiten van winkels.
Sije Teake Paulus (roepnaam Sije, ook wel geschreven als Seije en Seye. Sommigen noemden hem Paul) was nog maar negen maanden oud, toen hij naar Amsterdam verhuisde. Zijn ouders gingen met de Lemmerboot over de Zuiderzee. Onderweg raakten ze in een storm. “Noodweer moet het geweest zijn. M’n vader heeft me er later meermalen van verteld.” Deze storm werd de ouverture van een leven vol avontuur, humor en armoe.

1920 Op 11-jarige leeftijd verhuisde Sije van Amsterdam naar Heerenveen. Bezocht daar de lagere school en wilde zendeling worden. Maar geldgebrek noopte de oude Beulakker zijn zoon van school te halen en naar een baas te sturen. Maar het werd niet één werkgever, het werden er in twee jaar tijd 16: meubelmaker, schilder, fietsenmaker, loopjongen, enz. Toen wilde hij plotseling naar het vreemdelingenlegioen, maar een vriend waarschuwde na de afscheidsavond die hij voor zijn vrienden hield, zijn ouders en de reis ging niet door. “Dan maar bij het Nederlandse leger”, dacht Sije. Hij werd echter afgekeurd. Zo zocht de jonge avonturier verder. Hij ging naar de marine en werd weer afgekeurd, werkte als eerste biezer (lijntjes trekken op de spatborden) op een rijwielfabriek en werd lid van verschillende kerkelijke en niet-kerkelijke verenigingen.

Al vroeg bleek zijn meer dan normale aanleg voor tekenen. Zijn vader wilde hem rijtuigschilder laten worden, maar Sije voelde veel meer voor karikaturist of reclameschilder. Steeds meer ging hij zich op het tekenen toeleggen en de resultaten werden zienderogen beter, mede doordat hij in academisch geleide kunstgroepen zat. Deze huurden voor de avonduren een leraar in. Eigenlijk had hij niet veel geld voor een opleiding of school.

1933 Sije was gereformeerd opgevoed. Uit eigen onderzoek bleek de R.K. kerk voor hem de ware kerk. Hij ging in Den Haag in een klooster. Hij droeg daar een lange zwarte pij met kruis ervoor. Hij schilderde iconen. Maar na 3 jaar hing hij zijn pij toch aan de kapstok. In deze periode maakte hij een zelfportret, één met artistieke kop en grote oren.

1936 Sije was echt een einzelgänger. Hij wilde vreemde landen en volken leren kennen, waarover hij al zo veel had gehoord. Zijn vader stond echter met beide benen op de grond en het duurde tot 1936 voor hij de kans kreeg de wereld in te trekken. Hij monsterde als koksmaat op schepen van de Holland-Amerika-lijn en voer de halve wereld rond. In Mexico raakte hij betrokken bij een communistische rel en werd bij tijd gered door een rabbi. Zijn eerste zeeziekte kreeg hij in het Kattegat op weg naar Noorwegen. Vlak voor de Burgeroorlog bezocht hij Spanje en later Amerika, Canada en IJsland.
“De afschuwelijkste herinneringen heb ik aan Rusland. We kwamen in Leningrad, twee uur lopen van de boot. Gidsen lieten ons in een razend tempo alle nieuwe gebouwen zien. Later gingen we te voet op eigen gelegenheid de stad in. En toen hebben we juist de minder florissante buurten bekeken. Verschrikkelijk, zoals de arbeiders daar woonden. Meerdere gezinnen sliepen op één kamer in grauwe huizenblokken, die de ellende uitstraalden. Maar het meeste heeft toch het Godlozenmuseum indruk op me gemaakt. In ’n enorme koepelkathedraal waaraan volgens de Russen 700 jaar werd gebouwd, werd propaganda gemaakt tegen alle godsdiensten. Heilige voorwerpen werden bespottelijk voorgesteld en er worden aan de lopende band anti-gelooffilms gedraaid. Volgens de Russen was het de schuld van de christenen, dat de wetenschap werd tegengehouden.”
Sije reisde van land tot land. Zijn schetsboek was de belangrijkste bagage en hij liet niet na om, waar hij ook kwam, karikaturen te tekenen. Niet iedereen stelde zijn tekengave op prijs. In Mexico bijvoorbeeld werd hij opgepakt, omdat hij een agent wilde vereeuwigen. “Mijn bezoek aan de stad Havanna op Cuba zal ik nooit vergeten. Ik was jong en hield van avonturen. Zo zwierf ik dan op een dag door die prachtige stad en zon op een idee met te vermaken. In Havanna zijn winkels die uitsluitend door negers worden bezocht. Een blanke zou niet op het idee komen zo’n zaak binnen te stappen. U begrijpt het natuurlijk al: ik liep een negerwinkel binnen. Het was een kleine kamer van ongeveer 2 x 2 m, waarvan de wanden volgeplakt waren met afbeeldingen van filmsterren. Een reus van een neger kwam me onderdanig tegemoet. Ik beduidde hem, dat ik me in zijn zaak wilde laten scheren. Hij keek me aan alsof ik een grapje maakte, maar toen hij begreep dat ik meende wat ik zei, bracht hij me naar een wankele stoel en bond me een enorm laken voor. Hij greep een staaf zeep, keek me nog eens ongelovig aan en spuugde me op m’n gezicht. U moet zich eens voorstellen hoe ik me op dat ogenblik voelde. Ik lag achterover en keek in de uitpuilende ogen van de neger, die zich volkomen op mijn wangen concentreerde en met zeep en speekstel inzeepte. Bepaald bang werd ik, toen de reus een mes pakte en me dat op de keel zette. Maar het liep toch goed af. Een kwartiertje later liep ik weer, nu glanzend geschoren, op straat …”
Op het dek liep hij eerst met een zwabber rond. Sije was een echte duivelstoejager. Later werd hij koksmaat. Drie jaar lang zat hij op de vaart. Ook op een coaster naar Scandinavië.
Sije kon niet zwemmen. Dat was ook niet erg, want in zee kon je toch niet zwemmen.

1937 Sije maakte op een oude herenfiets met links en rechts tassen een tocht door verschillende Europese landen met op de bagagedrager als belangrijkste bezit z’n schildersezel. Geld had hij niet bij zich. Onderweg tekende hij veel en kon daarmee de rekeningen betalen.
“Er werd mij door een vriend een betrekking beloofd in Batavia. Ik wilde er op de fiets heen en zo ging ik dus de Nederlands-Duitse grens over, maar in Batavia ben ik niet gekomen.” Op zijn tweewieler zwierf Sije door Duitsland, Oostenrijk en Hongarije. Met wat hij er allemaal beleefde, zou je een boek kunnen vullen. “In Wenen sliep ik veertien dagen onder de bruggen. Op een avond stapte ik een café binnen en werd verwelkomd door een horde woest schreeuwende mannen. Er werd me gevraagd of ik ‘radicaal’ was en dar ik doorkreeg met een groep communisten te doen te hebben speelde ik het spelletje mee en stak bij wijze van groet mijn vuist op. Gelukkig hoefde ik, onder ’t voorwendsel dat ik niet kon zingen, de strijdliederen niet mee te brallen. Van de tien boeren die ik op het platteland zag, waren er negen die blikken hakenkruisen in de stallen hadden hangen.”

Toen Sije later doorkreeg dat het hem nooit zou gelukken zijn Batavia-plan te verwezenlijken, keerde hij naar Nederland terug. Onderweg verloor hij zijn schetsboek en aan de Nederlandse grens werd hij opgewacht door de douane, die hem een bekeuring gaf, omdat hij geen fietsplaatje had.
In Nederland schilderde hij weer langs de weg.

1940 Rondom het begin van de Tweede Wereldoorlog leerde Sije in Zeist zijn vrouw Hendrika Cornelia Nijland uit Utrecht kennen. Uit hun huwelijk werden drie zonen en een dochter geboren.
In Zeist begon hij te schilderen.

In 1940 vocht hij als huzaar bij de Moerdijkbrug. Toen werd hij dus wel goedgekeurd.

1948 Na de oorlog ging Sije met zijn gezin naar Gouda. Vanwege zijn fantastische werk, werd hij eerste schilder.
Vanaf 11 oktober 1948 t/m september 1956 was hij als plateelschilder werkzaam bij kunstaardewerkfabriek Ter Gouw (J. Vergoed) aan de Turfmarkt 71 in Gouda. Van deze fabriek is maar heel weinig bekend. Ter Gouw werd in 1938 opgericht door Goedewaagen decorateur Johannes Vergoed. Rond 1960 werd de fabriek gesloten.
In Gouda waren zo’n 250 aardewerkfabrieken!
“In Gouda heb ik mijn opleiding gehad. Daar was ik de eerste decorateur bij een aantal grote bedrijven. Het zogenaamde Delfts blauw wordt nog steeds veel gemaakt voor Amerika. Scheepsladingen vol zijn er naar de Nieuwe Wereld gegaan. Het echte Delfts blauw is een kwestie van procédé en decortechniek. De kleuren zijn lichter en de bloemmotieven hebben alle dezelfde vorm. Het werken in meer dan één kleur, polychrome, is ontzettend moeilijk. De kleuren ondergaan namelijk een gedaanteverwisseling in de oven waar bij het bakken temperaturen van duizend graden heersen. Het is steeds een risico; dat bakken van de vazen en de bekers. Zij komen er donkerder, lichter of gesprongen uit. En dit laatste maakt die grote borden juist betrekkelijk duur. Zij komen op fl. 75,00 à fl 80,00 per stuk. Portretten zijn een tientje duurder.” Niet alleen naar een foto, maar ook naar het leven kon Sije zijn slachtoffer op het bord vereeuwigen.

1956 Toen het werk in Gouda hem niet langer beviel, solliciteerde Sije in 1956 naar Vroomshoop. Hij was de enige sollicitant. Hij was ook één van de weinigen die dit werk kon. Hij begon in november als chef-schilder en ontwerper bij Kunstaardewerkfabriek NV gebr. Hamer aan de Havenstraat in Vroomshoop.

1958 De familie Beulakker verhuisde naar Flierakkers 14. “Daar heb ik eindelijk rust gevonden. Vroomshoop is een aardige plaats. Het was eerst wel moeilijk ons bij de bevolking aan te passen. Maar ik weet nu, dat de Twentenaar een prettig karakter heeft. Heus. Ik meen het.” Later verhuisde de familie naar Plantsoen 29.

Sije schilderde een fraai achterdoek voor het kerstspel van dokter Oskam dat op 23 december in Ons Centrum werd opgevoerd. Men vond het een prachtig decor. Kunstschilder Sije was er echter niet tevreden over. ”Wat wil je? Het was kort dag. Toen verf en linnen er waren, moest ik het in een dag schilderen.” Toneelcoulissen schilderde hij met een kwast aan een bezemstok. Hij was vaak tot diep in de nacht bezig. Seije was een harde werker.

Sije stond ook zelf vaak op het toneel. In de pauze of voorafgaand aan de voorstelling. Op verzoek (roep) van het publiek (snel-)tekende hij dan een persoon, een konijn of iets dergelijks.

1959 Met vaardige hand gleed het penseel over het bord dat snel in ’t rond ging op de draaitafel. In het schildersatelier waar een benauwde vochtige atmosfeer hing (op de andere afdelingen was het nog veel erger, maar dat was nu eenmaal een aardewerkfabriek eigen) werkte de halve familie Beulakker. Zoon Henk decoreerde eveneens borden en vazen en broer Theo draaide, tekende en schilderde. Vader maakte het ontwerp voor een bord. Hij zette de contouren en Henk schilderde het verder af.

“Ik ben van beroep kunstschilder en ex-avonturier.” Sije kon opmerkelijke belevenissen vertellen, want hij kon putten uit een enorme voorraad verhalen en bezat de gave zijn belevenissen te doen herleven. Hij kon ook aardig schrijven, maar daar is nooit iets van terecht gekomen. Zo wou hij een autobiografie schrijven. Een roman, een realistische biografie van een boerenjongen met een sterk religieuze (R.K.) inslag. Het manuscript ‘Door vader gegrepen’ was er al. Het ging over een jongen die in een machine zijn vingers kwijtraakte. “Als ik dat klaar heb, wil ik de geschiedenis van Vroomshoop op het doek vastleggen.”

Ter gelegenheid van het Vroomshoopse Eeuwfeest tekende/schilderde Beulakker een groot reclamebord bij de ingang van de Hobbytentoonstelling.
In de fabriek werden potjes met opschrift gemaakt.

1962 Het wandbord dat Sije namens het personeel van de 50-jarige Hervormde school in Den Ham schilderde, is één van zijn bekende boereninterieurtjes. Dat hij met zijn penseel zeer vaardig kon schrijven, blijkt aan de achterkant van dit bord.

Sije maakte veel borden met boereninterieurtjes. Het was geen grote kunst, maar wel leuk als wandversiering.

Er werd personeel aangenomen. Talentvolle meisjes werkten er maar kort; soms slechts een half tot heel jaar.

De borden waren vrijwel nooit uniek. Ze werden namelijk in serie gemaakt. Wel soms met kleine variaties. Op veel borden stonden afbeeldingen van Hollandse molens.

Ten tijde van de Sjah van Perzië en president Kennedy werden wandborden gemaakt, waarop zij waren afgebeeld. Vele wandborden werden verkocht. Er bleek markt voor te zijn. Er was volop werk in de fabriek. Ter promotie werd president Kennedy zo’n wandbord opgestuurd. Het Witte Huis stuurde een brief met dankwoord terug!

De productie bestond voor zo’n 10 tot 15% uit borden. Op een wandbord zat men wel een paar dagen te schilderen. Verder werden vazen en kannen op schijf gedraaid.
Het was altijd de gok hoe het aardewerk uit de oven zou komen. Bord één keer bakken, dan steenverf erover (soort witte poeder/glazuurverf) en weer bakken op 1000 graden.
Was de verf te dik, dan bakte het droog. Was de verf te dun, dan verbleekte het. Het was dus de kunst om de dikte zo te hebben dat het er goed uitzag. Ook de glazuurlaag mocht niet te dik of te dun zijn. Dit in tegenstelling tot het schilderen van een olieverfschilderij.

1964 Het ging niet meer zo goed met de Kunstaardewerkfabriek gebr. Hamer. Het bedrijf ging failliet. Sije probeerde nog tevergeefs een half jaar het bedrijf over te nemen, maar hij had geen verstand van zaken doen. Keramiek bleek een moeilijk product om geld mee te verdienen. Diverse bloempotten werden nog in grote getale gemaakt. Er was een aparte afdeling kunst en wandborden.

Door de veranderende smaak van de consument en het mindere belang dat de consument ging hechten aan een fraai servies of interessant sierplateel, maar ook door de groeiende internationale concurrentie, raakten Nederlandse aardewerkfabrieken in moeilijkheden.

Na zijn periode bij de Kunstaardewerkfabriek gebr. Hamer werd Sije een beroepsmatige schilder en maakte veel olieverfschilderijen. Hij kreeg naam als kunstschilder. In zijn paspoort had hij ook als beroep ‘kunstschilder’ laten aantekenen. Hij schilderde in zijn vrije tijd veel stillevens en interieurtjes. Vanuit de kunsthandel werd hij gevraagd.

Ondanks zijn vele schilderen, had hij ook hobby’s.
Gelijk eigenlijk al na zijn verhuizing naar Vroomshoop meldde hij zich bij de Bosruiters in Den Ham. Vanuit zijn periode als huzaar bij de cavalerie wist hij veel van paarden. Hij had ook alle papieren om paardrijles te geven en om mede te jureren bij concoursen. Hij had geen eigen paard, maar gebruikte er één van de rijvereniging.

Sije was in Vroomshoop een bekende figuur. Hij stond regelmatig in de krant. Leuke anekdote is dat hij ergens in de jaren ‘60 Sinterklaas speelde. Zijn ‘stoom’boot meerde iets te ver van de kant af. Zwarte Piet viel in het water. Sinterklaas Beulakker haalde hem met zijn staf uit het water …

Verder was hij handig in het repareren van klokken. Met veel geduld en prutswerk middels loepje en instrumenten lukte het hem om de klokken weer op te knappen.

Zijn woonkamer was gesierd met portretten naar foto’s, b.v. van zijn schoonmoeder. “In één avond geschilderd.” Verder: reproducties van oude meesters en landschappen vastgelegd in grote ‘Delftsblauwe’ wandborden, borden met veelkleurige taferelen erin gebakken, veel vazen en pulletjes naar Egyptische makelij, majolica (Italiaans) en versierd met Fries snijwerk.

1968 Rond z’n 60ste werd Sije afgekeurd. Wel kwam hij tot eind 1975 in dienst bij kaarsenfabriek Kirsten in Delden. Hij maakte veelzijdige ontwerpen en beschilderde o.a. doop-, paas- en huwelijkskaarsen. De directeur bracht/haalde dozen vol kaarsen. Ook maakte hij tekeningen voor cliche's voor het bedrukken van kaarsen b.v. menukaarsen voor restaurants. De fabriek in Delden was erg lawaaierig en druk. Het maakte hem vermoeid en voerde daarom zijn werkzaamheden vooral thuis uit in zijn atelier boven.

1974/1975 Voor de herinrichting van het interieur van de R.K. Sint Willibrorduskerk in Geerdijk restaureerde Sije de 14 kruiswegstaties. Hij schilderde in zijn atelier de oude exact over. Op elk lijdenswegschilderij zette hij zijn handtekening met jaartal. Het is heel bijzonder dat één van de eigen parochianen dit kon doen. “Schitterend!”, vinden de parochianen nog steeds.

1980 Sije overleed aan darmkanker in het ziekenhuis in Almelo op 15 maart1980. Hij werd begraven op de R.K. begraafplaats naast de St. Willibrorduskerk aan de Schoolstraat 80 in Geerdijk.

Nawoord

Sije Beulakker was voor zijn directe omgeving niet altijd gemakkelijk. Hij was een overheersend type. Echt een legerkapitein. Hij had ook niet veel vrienden. Hij vond zichzelf een buitengewoon goed kunstenaar. Eigenlijk was hij een soort Vincent van Gogh. Hij was autodidact, want hij was te eigenwijs om wat van anderen over te nemen. Hij deed alles alleen. Hij had opvallend veel talent. Hij was altijd al geboeid door kunst. Zo ging hij naar musea om schilderijen te bekijken. Hij maakte er foto’s van en kopieerde thuis de werken. Dat is wat hij ook goed kon, replica’s maken. Hij maakte met gemak 45 vrijwel dezelfde schilderijen. Hij schreef er dat dan wel bij. Hij schilderde in de trant van Koekkoek. Via een Almelose handelaar leverde hij zijn werken af aan de lopende band. Hij schilderde de ene na de andere opdracht. Hij vond het wel leuk te doen. En, het verkocht goed. Immigranten in Australië en Nieuw-Zeeland kochten zijn schilderijen. Vooral zijn winterschilderijen waren daar geliefd, net als zijn boereninterieurs. Andere onderwerpen waren vaak vogels, marines, figuurvoorstellingen, portretten, religie en natuurlandschappen met b.v. op de achtergrond een kerkdorp. Hij verromantiseerde alles. Er was duidelijk een markt voor.
Beulakker was een snelle schilder. Soms misschien wel té snel, zodat zijn kunstwerk er onder leed. Ook, omdat hij ervan moest leven. Zijn massaproducten gingen daarom helaas ten koste van kwaliteit én creativiteit. Had hij in zijn leven financieel onafhankelijk kunnen zijn, dan had hij zich vast meer kunnen ontplooien met eigen werk. Zijn zonen waren jaloers op het werk van hun pa. Tijdens verjaardagen ging het altijd over licht, kleur, lucht en compositie. Hij liet dan zijn liefde voor kunstgeschiedenis blijken.

Op de in december 2012 uitgekomen dvd ‘VROOMSHOOP 50, een kanaaldorp 50 jaar later’ van St. Levend Vroomshoop zien we kort Beulakker en zijn fabriek nog in beeld.

Met dit artikel is mijn speurtocht naar deze markantste kunstschilder uit Vroomshoop beëindigd. Desondanks hou ik me aanbevolen voor meer informatie over hem.