Weleer

Clare Lennart (pseudoniem voor Clara Klaver) schreef in 1971 het boek Weleer (Uitg. Van Nijgh & Van Ditmar). Dit boek stond al een jaar in onze boekenkast te wachten om gelezen te worden. Den Ham werd genoemd als (tijdelijke) woonplaats van moeder Da en oom Jo. Nieuwsgierig naar het vervolg kochten en lazen we Weleer II van zus Eveline Klaver. Clare en Eveline maakten bij het schrijven gebruik van brieven en dagboekfragmenten van hun moeder Da Klaver-Doyer.
 
Johan (Jo) en zijn tweelingzus Gerarda Jacoba (Da) (geboren 4 mei 1864) waren kinderen van de doopsgezinde Derk Anton Doyer en Claartje Yntema uit Deventer.
 
Een vreugde in het leven van de zes Doyer-kinderen is ongetwijfeld de muziek geweest. Ze hielden allemaal van muziek en kregen les op de piano en viool. Jo en Da waren op muzikaal gebied de sterren. Zij speelden vanaf hun vijfde jaar piano. Hij later ook orgel. Zij had een goede zangstem. Hoewel ze geen van beiden de muziek als beroep hebben gekozen, is deze wel hun leven lang veel voor hen blijven betekenen. Muziek van Wagner, Beethoven, List, Mendelssohn en Grieg zijn favoriet. Beiden zouden niet, zoals ze van plan waren, wereldberoemd worden. Jo is net iets te burgerlijk-voorzichtig om een beroep met zulke grote risico’s aan te durven. Wel weet hij overal mensen te vinden met wie hij op een of andere wijze samen muziek kon spelen.
 
Vanaf 1886 studeert Jo in Amsterdam medicijnen. Da krijgt aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunst in Amsterdam schilderles en trekt een korte tijd bij haar broer in. Da ontwikkelt haar tweede talent, de schilderkunst. In het najaar van 1891 slaagt Jo voor zijn artsexamen. Hij werkt eerst als assistent in een Amsterdams ziekenhuis.
 
Jo vestigt zich in het begin van 1894 als huisarts aan de Grotestraat 47 (Nu: Stijlgenoten) in Den Ham. De eerste tijd woont Da met hem samen om voor zijn huishouding te zorgen, het dienstmeisje Sien wat wegwijs te maken en vooral voor de gezelligheid. Jo lijdt aan stemmingwisselingen, maar wordt wat minder prikkelbaar als hij klaar is met zijn doktersstudie. Zijn werk als dokter met apotheek aan huis neemt hem helemaal in beslag en de gedachte dat hij zich nuttig maakt in de maatschappij is van grote invloed geweest op zijn stemming. Er is zeker ook wel tijd om muziek te maken. Da houdt genoeg tijd over om buiten te schilderen. Zij trekt er vaak met haar schilder-spullen op uit. Jo bezoekt zijn patiënten met paard Jan, rijtuig én hond. Ze staan op goede voet met de notabelen van het dorp. Het ziet er allemaal dus bijzonder gunstig uit. Kortom: alles wat hoorde bij een dokterspraktijk op het platteland in die dagen.
 
In de avonden maken Jo en Da vaak samen muziek. Dat verloopt uitstekend tot Jo verliefd wordt op Rika (voluit: Veronica Veen Valck) uit Kampen. Deze aankondiging komt voor de familie heel onverwacht. Zij is een volkomen vreemde. In snel tempo verlooft Jo zich in augustus 1893 alsof hij bang is dat ze weg zal lopen. Het kan ook zijn dat zij bang is dat hij – grillige, onberekenbare, moeilijk te benaderen jongen, minst Doyerachtige van de Doyers  - weg zal lopen. Er komt onenigheid met zijn vader. Jo is volkomen van zijn stuk gebracht. Hij is zwijgzaam en somber. Da vermoedt dat Rika en haar familie zo’n haast achter de bekendmaking gezet hebben. Da maakt zich hevig ongerust. Het huwelijk gaat op 11 september 1894 wel door.
 
In mei 1895 is er een conflict tussen Da en Rika. Da vertrekt dan uit Den Ham, waar ze een poosje gelogeerd had vanwege hun verjaardag op 4 mei. Da schrijft: "Het was op een zondagmiddag, de tweede dag van mijn verblijf. Met Jo was ik uitgegaan naar een patiënt in Linde. Wat een zon over alle jonge groen, wat een nachtegaalgezang en ander gejubel buiten, wat echt lente overal! Druk pratend, wandelde ik door het mulle zand naar hem voort, hij met zijn grote passen, ik ook moeite doend voor grote passen. Ik had het druk over mijn tentoonstelling in Deventer, waar ik voor het eerst in mijn leven geëxposeerd had. Ik voelde mij zo gelukkig weer naast hem te mogen gaan. Jo bezoekt zijn patiënte, een vrouw met tering en nu pleuritis erbij. Da gaat wat tekenen. Als Jo zijn visite gemaakt heeft, zegt hij: ‘Daar woont ook een patiënt van me, die op de dood af geweest is’. ‘Wil de dokter er niet es efkes inkommen?’, vroeg de boerin, net buiten gekomen. En zo gingen we naar binnen. Het waren heldere boerenmensen, die het blijkbaar goed konden stellen. De boerin haalde de borrelfles, klare met suiker en het trommeltje. Of ik wilde of niet, ik moest een glaasje meedrinken, een paar koekjes, en verder ging het gepraat over de ziekte en het beter worden door dokters kunde en Gods hulp. Ik keek ook eens rond. Een typische vloer met keisteentjes, midden in, in zwarte keitjes, de datum en de naam, de muren met tegeltjes ingelegd, waarop de stier van Potter op de beide penanten tussen de bedsteden in. Het stond heel goed. Jo had zijn borrel al op en dronk mijn glaasje nu leeg, de suiker voor mij bewarend. Voor koffie of thee bedankte ik. Toen gingen we verder. Ze wuifden ons na en vroegen mij gauw terug te komen met Jo’s vrouw. Jo had vol ijver verteld, dat ik ook zo’n tijd bij hem geweest was voor zijn trouwen. Hij moest hun toch laten weten, dat ik maar niet gewoon zo’n zuster was, maar veel meer, een die met hem mee geleefd en gevoeld had. Met vlugge stap keerden wij naar huis, druk pratend nog. Wij komen thuis, zijn vrouw in de gang. ‘Dag, wij zijn nog bij Deriks binnengeroepen en hebben er even wat gepraat.’ Geen antwoord. Het eten wordt opgedaan, geen woord, geen vraag om te komen eten. ‘Wat is er?’ Geen antwoord. Als Rika blijft zwijgen, gaan Jo en Da toch maar beginnen, maar in de geladen atmosfeer smaakt het eten niet. ‘Wat beduidde dat?’ ‘Zou ze kuren hebben?’, vraagt Da zich af. Ik houd het niet langer vol en barst uit: ‘Rika, waarom zeg je niets? Ben je boos op mij ook?’ Geen antwoord, een effen, beslist gezicht staar ik aan. ‘Maar ik wil antwoord hebben, anders doe ik beter met naar huis te gaan.’ Geen antwoord. Ik ga de kamer uit naar mijn kamertje boven en barst uit in zenuwachtig gesnik. Het geluk van Jo is weg. Tenslotte komt Jo Da halen en ze gaan wat in de tuin wandelen. Het is zulk heerlijk weer. Ze begrijpen geen van beiden wat ze misdaan hebben. Jo probeert later nog met Rika te praten, maar het helpt niets. Hij krijgt geen antwoord. Da gaat dan maar vroeg met hoofdpijn naar bed. De volgende ochtend vindt ze een met potlood gekrabbeld briefje onder de deur doorgeschoven. ‘Ik ben niet boos op jou, blijf alsjeblieft. Het spijt me heel erg, ik kan je niet zeggen, wanneer ik weer gewoon ben, dat kan soms heel lang duren. Maar ga je gang, ga naar buiten, doe wat je wilt. Rika.’ Dit briefje deed Da genoegen. ’s Middags werd duidelijk hoe de boze bui veroorzaakt werd. Jo en Da waren de vorige middag langer weggebleven dan Rika verwacht had. Ook dat ze bij Deriks binnengegaan waren, terwijl Rika er nog niet geweest was. Nu wilde ze er ook nooit meer heengaan. Rika had een karakter van jaloers, lichtgeraakt, koppig en onredelijk. Het huwelijk van Jo en Rika is dan ook niet gelukkig geweest. Jo en Rika leefden naast elkaar. Ze sliepen bv. afzonderlijk. Rika was een knappe, intelligente vrouw, een overtuigd communiste.”
 
"Na een bezoek van de kinderen van (toenmalig Hammer) burgemeester Dumon, waar Da uitgelaten verstoppertje mee speelt, komt Jo laat thuis en na het eten is Rika nergens te vinden. De notaris komt op bezoek en vraagt op zijn plompe manier: ‘Waar is ’t wief?’. Jo antwoordt: ‘Ik weet het niet.’ Het is een enigszins gedwongen visite door het niet verschijnen van de vrouw des huizes. De notaris vertrekt spoedig. Na ongeveer een week begint Rika weer te praten, een hele verademing, maar die duurt niet lang. Al spoedig is er voor Rika weer een reden om boos te worden, als Da met de beste bedoelingen Dina, het dienstmeisje, aan het meisje van de burgemeester laat zeggen, dat de familie verhinderd is op bezoek te komen, zonder Rika, die Jo in de apotheek helpt, te raadplegen. Als Rika dat hoort, vaart ze uit: ‘Ik verkies dat Dina mij de boodschappen brengt. Niemand verder hoeft hier orders te geven.’ ‘Het was mijn schuld’, zegt Da, ‘ik wilde je niet storen, terwijl je bezig was in de apotheek.’ ‘Dat doet er niets toe’, en toen bitter, o zo bitter: ‘Ja, er is wel meer jouw schuld.’Die woorden sneden mij door de ziel. Mijn schuld, die verwijdering tussen Jo en haar, mijn schuld, wie weet hoeveel mijn schuld. Ze moet zo gauw mogelijk vertrekken. Ze denkt aan alles wat nooit meer komen zal, niet meer logeren bij haar geliefde broer, niet meer mee zijn patiënten bezoeken, hem niet meer horen, zich vergetend in de muziek. Als Da eindelijk de kans krijgt, ronduit met Rika te spreken, dringt Rika er toch op aan, dat Da nog enige dagen zal blijven. De tijd gaat voorbij met bezoekjes over en weer aan de notabelen (grappig dat die op dat kleine dorp praktisch allemaal dialect spreken), met wat schilderen. Ze zitten samen aan tafel, Da en Rika. Jo is niet goed geworden en ligt op bed. Da staart door het raam naar de molen tegenover het huis, kan niet eten, voelt zich misselijk door de spanning. Rika zwijgt. Dan opeens gooit Da het eruit: ‘Rika, ik dacht dat het beter was als ik morgen naar huis ga. Jo houdt ook te veel van mij; ik geloof dat je jaloers bent.’ Rika: ‘Jaloers, nee dat niet, maar je kent me niet; je houdt niet van me, anders zou ik zeggen, blijf altijd bij ons; dat is zo mooi. Jo met zijn vrouw en zijn zuster. De verhouding is moeilijk, dat weet ik. Ze zeggen dat een tweelingzuster tot haar broer staat als een moeder tot haar kind …’ Da schudt droevig haar hoofd van nee. ‘Ik ken je niet en zal je nooit leren kennen, maar een schoonmoeder moet nooit bij de kinderen inwonen, ik moet dus weg …’ Da blijft nog tot woensdag. Dan volgt haar laatste dag. Een dag om nooit te vergeten van nieuw verdriet. Die hele dag tot ’s avonds ging het goed … ’s Avonds zouden de notaris en zijn vrouw komen. Rika zelf had bloemen in de kamer gebracht om dit weldadig te maken door seringengeur. Jo speelde, zij was in de kamer en ik staarde naar buiten vanaf de canapé. Ik tuurde over de vijver heen naar de thuiskomende koeien, luisterde naar het eigenaardig geschreeuw van de kinderen, die ze met een stok voortdreven, nam het in-landelijke leven in mij op, zo mooi, zo kalm. Jo speelde door, tranen kwamen weer door en vochtig mijn oog keek het ver weg en treurig mijn denken: voorbij, voor het laatst. Och kom, ze mogen niet merken en met enige moeite wendde ik mijn blik af, de kamer rond. Jo houdt op. ‘Da, wil jij nog wat zingen?’ ‘O, jawel’. Ik zing eerst ‘O, lasz dich halten, goldne Stunde’ van Jensen en dan zijn lievelingslied ‘Primula Veris’ van Hiller. Rika zit met hem op de rustbank. Het is uit. ‘Mooi toch, ze, vind jij het ook niet mooi?’, vraagt hij haar. Hoe gek om mij dat te vragen,’ en weg is ze, boos. Jo is verslagen. Ik zing niet meer, ga naar boven mij kleden. Beneden gekomen is de visite er al. Er heerst een gedrukte stemming. De notaris, erg bezorgd over zijn gezondheid, klaagt over pijn in zijn borst en gaat eerder naar huis. Jo, Da en Rika brengen later zijn vrouw thuis. Teruggekeerd spreken Jo en Da nog het een en ander af voor het vertrek de volgende dag. Jo moet een patiënt bezoeken in Daarle. Om één uur zal hij vertrekken. Da kan dan een heel eind meerijden. Opeens missen ze Rika. Jo gaat kijken. In huis is ze niet, dan buiten. Het regent. Ik ga mee. Zonder omwegen loopt Jo naar de vijver. De poging om die gedachte voor mij te verbergen laat hij varen. Ik volg hem. Wij zeggen niets, wij denken hetzelfde. Het is heel donker. Wij zien niets. Misschien is ze achter in de tuin wat frisse lucht halen of ze wil ons nog eens alleen laten. Jo zegt niets, gaat weer in huis zoeken. Niemand. ‘Jo, neem dan de lantaarn mee. Zo kun je niets zien buiten’, zeg ik. Hij haalt licht, we gaan weer naar de vijver, houden het licht hoog. Als Rika ons ziet is het nooit meer goed te maken, maar toch. Ze is zo vreemd de laatste dagen. Ze praat een hele nacht onsamenhangend door, terwijl ze niet slaapt. Jo heeft al eens gezegd: ‘Het is of ze in de war is.’ Het is doodstil bij de vijver. Wij keren terug. Daar horen we boven de deur van de apotheek, open en dicht doen. Jo, nog met het licht in de hand, gaat naar de slaapkamer. Daar staat Rika geleund tegen de schoorsteen, versteend, vooruitstarend.”
 
De volgende dag: "Het dokterskoetsje rijdt door het vlakke land, dat het dorpje Den Ham omringt. Bouwland, weiland, verspreide boerderijen. De kap is opgezet, want het is buiig weer. Jo ment. Da zit naast hem, voor het laatst, in de storm. Ze steken het Twentse kanaal over en gaan richting Daarle. Bij de molen woont de patiënt. Da wil niet dat Jo haar nog een eind wegbrengt. Ze zegt dat ze best kan lopen. Ze wil liever dat Jo terugkeert, want ze maakt zich ongerust over Rika, die zo vreemd doet de laatste tijd. Ze heeft het dienstmeisje nog gewaarschuwd, goed op mevrouw te letten. ‘het zal wel beter worden als ik weg ben’, zegt Da. ‘Wel mogelijk’, antwoord Jo, ‘ze is misschien wel wat jaloers en dan in deze toestand.’ Ze is dus blijkbaar in verwachting. Dan  nemen ze afscheid. Tranen liepen me snel over het gezicht. Het is uit, ik moet weg en nooit weerkomen.”
 
Jo en Rika krijgen één kind, (Derk Anton, 7 augustus 1895), dat daags na de geboorte overlijdt. Later hebben ze een jongen als zoon aangenomen. Derk Anton ligt begraven op de oude begraafplaats aan de Molenstraat in Den Ham (vak 5c, graf C20).
 
Afbeelding invoegen 

Ook Jan Rudolf Veen Valck, de broer van Rika, ligt in dit graf begraven.   
 
Afbeelding invoegen   Afbeelding invoegen Nieuws van de Dag, 20 juli 1896
 
Toch komt Da op 2 januari 1897 terug. Ze is uitgenodigd enkele dagen in het nieuwe jaar te komen logeren. Zij vertrekt met de eerste trein uit Deventer. Ze reist tot het meest nabije station, Wierden. Op een kaart had ze uitgemeten dat het dan nog zo’n 14 à 15 kilometer lopen is. Mogelijk dat ze onderweg wel ’s hier en daar heeft aangelegd om een kop koffie en misschien wel een borrel te drinken. Zij komt behouden aan in Den Ham en schrijft meteen een brief aan haar vader om dit te melden. Op de postzegel van tweeëneenhalve cent is de datum 2 januari gestempeld. ‘Uitstekend is de wandeltocht geweest, ondanks mistig, maar toch heerlijk weer, hard bevroren weg overal, zodat gelukkig overschoenen onnodig bleken. Vrolijke gezichten hier binnen en een druk gepraat, zodat mij ’t zwijgen opgelegd is voor vijf minuten.’
 
"Eindelijk is het gekomen, het gevreesde van al heel lang. Ik was in Den Ham bij Jo en Rika en zou dien dag naar huis terugkeren. Daar komt Jo binnen half elf met een telegram van huis: ‘Vader ernstig ongesteld kom direct over.’ Jo en Da kunnen niet eerder per rijtuig weg voor 1 uur en dan om 4 uur met het spoor. Jo moet nog naar een patiënt. Jan inspannen gauw en weg reed hij zijn werk verrichtend. Om half één komt het rijtuig van Middendorp voor, hetzelfde wagentje waarin ik naast Jo zat toen hij ging trouwen. En wij reden weer samen den langen weg over den hard bevroren grond naar Wierden.”
 
Op het station in Deventer horen zij dat vader de vorige avond is overleden.
 
In 1898 vertrekt Jo uit Den Ham en wordt arts en later ook directeur van een klein ziekenhuis in Aardenburg (Zeeuws Vlaanderen). Da trouwt dat jaar met kunstenaar Luite Klaver uit Hattem.
 
Afbeelding invoegen 
Middelburgsche Courant, 14-12-1910
 
Na eerst een mislukte poging, maakt Jo in 1919 een eind aan zijn leven. Dat was vier jaar na de dood van Da. Het verre van ideale huwelijk is toch waarschijnlijk niet de reden geweest. Misschien vond Jo niet voldoende bevrediging in het doktersambt en had hij in zijn jeugd toch beter gedaan om voor de muziek te kiezen. Daarin leefde hij zich geheel uit. In Aardenburg gaf hij huisconcerten, die zeer serieus genomen werden en op een bijzonder hoog peil stonden. De eerste wereldoorlog, waar Aardenburg, dat zo dichtbij het oorlogsterrein lag, voortdurend mee geconfronteerd werd, waar de bombardementen zo duidelijk hoorbaar waren, de ellende van de vluchtelingen, dit alles heeft een diepe indruk op Jo gemaakt. Misschien heeft hij daardoor de hoop op een betere wereld verloren en zag hij geen reden meer om zijn bestaan voort te zetten. Zijn pessimistische instelling zal hij zijn hele leven behouden hebben. Voor hij tot die laatste stap overging is hij de hele familie langs gereisd om afscheid te nemen, natuurlijk zonder iemand van zijn voornemen op de hoogte te stellen.

Op het eind van het boek schrijft Clare: "Ik zou het dorp Den Ham willen zien zoals het toen was. Jo zou uitrijden in het dokterskoetsje, de hond naast zich.”
 
Afbeelding invoegen 
Foto: Archief De Krulsmid, Oudheidkundige Vereniging Den Ham - Vroomshoop
 
Oproep: Da maakte hele mooie olieverfschilderijen, aquarellen, pastels en crayontekeningen, o.a. ook portretten. Wie nog zo’n schilderij heeft, mag contact met mij opnemen.
 
Dit artikel is ook te lezen in het kwartaalblad 't Middendorpshuis, uitgave van de Oudheidkundige Vereniging Den Ham - Vroomshoop, 2011/2
 

Afbeelding invoegen
 
Kleurpasteltekening van Da Doyer.
Een jonge man in lange werkkiel is bezig te boetseren aan een masker, naar voorbeeld; het is in de boetseerkelder van de tekenschool in de Pontsteeg. De jonge man is de vroeg gestorven B.J. Korteling, steenhouwer. 
Datering tussen 1880 en 1899.  
 
Bron: Stadsarchief en Athenaeum Bibliotheek, Deventer
 
Afbeelding invoegen
De zes kinderen Doyer. V.l.n.r. Da, Saar, Anton, Jaap, Dirk, Jo (circa 1880)
 
Afbeelding invoegen 
 
Afbeelding invoegen
Het huis aan de Grotestraat 47 in Den Ham waar Jo als huisarts begon en Da vaak logeerde.